maandag 2 juni 2008

12. Genomineerd in 2008 :: Jan Steen :: Uitspraak Commissie Gelijke Behandeling

Nominatie Vaderdagtrofee 2008:

Jan Steen. piloot en vader

Inleiding

Jan Steen was piloot bij de luchtmacht en is vader (jongen van 2 jaar en meisje van 7 maanden). gaat nu in augustus emigreren) Hij wilde voorkomen dat hij (in juli 2008) zou worden uitgezonden. Vrouwelijk collega's, moeders van kinderen onder de vijf jaar hebben recht op vrijstelling van uitzending. Hij als vader (tenzij alleenstaand) echter niet, volgens de regels van het Ministerie van Defensie.

Deze vrijstelling was van belang om voor zijn jonge kinderen te kunnen zorgen en tevens om te voorkomen dat de moeder van zijn kind haar baan zou moeten opgeven.

Jan Steen stelde deze kwestie aan de orde bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). Deze deed daarover uitspraak (zie hieronder in bijlage 1) en gaf deze vader gelijk.

Jan Steen had voor deze procedure steun van zijn advocate Susanne de Jong van Univé Rechtshulp. Veel werk, zoals het uitzoeken van de CGB-jurisprudentie deed hij zelf

De heer Steen nam inmiddels ontslag bij defensie vanwege de onmogelijkheid voldoende bij zijn kinderen te zijn en een redelijke combinatie van arbeid- en zorgtaken te bewerkstelligen.

Ook kon hij hierdoor de ruimte scheppen voor zijn vrouw om aan het arbeidsproces deel te nemen.

Er is momenteel nog een bestuursrechtelijke procedure bezig om herziening van de betreffende vrijstellingsregeling de facto uitgevoerd te krijgen (29 mei hoorzitting ). Er is een kans dat dhr. Steen in deze procedure niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat hij ontslag heeft genomen.

De kwestie kan in het licht worden gezien van het feit dat de zaak ook politiek is aangekaart door SP-kamerlid Krista van Velzen. Krista diende een motie in waarin de staatssecretaris werd gevraagd voortaan vader-militairen gelijk te behandelen aan moeder-militairen. Deze motie werd door de kamer aangenomen maar niet uitgevoerd. (http://joepzander.nl/kanonnen.htm)

Jan Steen voerde eerder een principiële - 5 jaar durende - procedure binnen defensie (over vliegtoeslagen). Hij kent daardoor zijn (voormalige) werkgever als een weerbarstige. Interne beroepsprocedures worden niet altijd juridisch correct gevoerd en afgewikkeld. In weerwil van veel vooronderstellingen over de defensiecultuur kreeg hij veel steun van zowel mannelijke als uitdrukkelijk ook vrouwelijke collega's. Ze waren wel een beetje bang dat dit gevecht van Klein Duimpje tegenover de grote reus niet goed zou aflopen.

De uitspraak van de CGB had principiëler mogen zijn, het beleid van defensie had disproportioneel moeten worden verklaard. Als defensie nog wat onderzoek doet, en de zaak wat beter neerzet zouden ze nog met dit wanbeleid weg kunnen komen. Dat door de CGB gevraagde onderzoek kan zijns inziens makkelijk worden gemanipuleerd. Jan Steen keert zich in het algemeen tegen de brede opvatting van het voorkeursbeleid in de wet gelijke behandeling, dat er ten aanzien van vrouwen en moeders nog steeds kan worden gehanteerd. Dit is eigenlijk uit de tijd. Het bevestigt de traditionele rolverdeling. De emancipatie is er nu mee gebaat ruimte voor mannen te scheppen vindt hij.

Inmiddels blijft de vraag wat het politieke vervolg is. Zelfs een eenjarige vrijstelling voor vaders blijkt inmiddels niet door te gaan.


Argumenten Nominatie

Belangrijke argumenten van de jury voor het nomineren van de heer Steen zijn;

Dikwijls blijkt dat de mogelijkheden om volwaardig vader te kunnen zijn moeten worden afgedwongen. Het is niet voldoende alleen maar een goede wil te hebben om te zorgen. Over dit aspect van vaderschap, van gelijkwaardig ouderschap wordt nogal eens laatdunkend gedaan.
Niet alleen na en door scheiding, maar ook los daarvan worden rechten van vaders nogal eens met voeten getreden. Kortom rechten zijn onlosmakelijk verbonden aan het gelijkwaardig uitoefenen van vaderschap. Deze zaak laat zien dat dit belangrijk is en dat hier wat te winnen valt.

De uitspraak van de CGB markeert de mogelijkheid dat ook mannen op grond van seksediscriminatie met succes kunnen klagen. Dit leek lange tijd niet het geval (uitzondering begrafenisverzekering). Hoe dan ook blijkt uit deze uitspraak dat dit mogelijk is. Vlak voor deze uitspraak werd reeds een zaak van mannendiscriminatie toegewezen inzake de mogelijkheid te solliciteren bij Opzij.

Van oudsher zijn mannen de slachtoffers op de slachtvelden en offeren zij zich op voor de (soms vermeende) verdediging van hun land en hun familie. Zij waren vaak kanonnenvlees. Het vaderschap is het contrapunt van deze rol. Het is belangrijk te zien dat mannen vaak ouders zijn, met een band met hun kinderen en niet alleen kanonnenvlees. De jury wenst niet hier aan de orde te stellen welke zaken militaire inzet vereisen. Wel komt het haar voor dat zorg en ouderschap ons kritisch doet zijn naar oorlog en vernietiging. Deze zaak wijst ons in de juiste richting.

Mannen worden dikwijls gedwongen een eenzame strijd te voeren. Maar dat kan gelukkig ook vaak het beste in een man naar boven roepen. Een vader die er voor gaat, die voor zijn kinderen kiest en daar de consequenties van neemt. Ook als dat misschien niet altijd eenvoudig is in de cultuur van zijn organisatie. Hier is geen instituut maar een mens aan het werk geweest.


Deze tekst is voor de jury opgesteld door Joep Zander


Bijlage 1: Defensie maakt verboden onderscheid op grond van geslacht bij uitzending op missies naar het buitenland:

Oordeel 2008-52 van de Commissie Gelijke Behandeling inzake verboden onderscheid op grond van geslacht door mannelijke militairen met kinderen jonger dan 5 jaar, anders dan vrouwelijke militairen, niet vrij te stellen van uitzending naar het buitenland.

Commissie Gelijke Behandeling, 19 mei 2008

Een mannelijke militair stelt dat er jegens hem verboden onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt. De man heeft aangevoerd dat vrouwelijke militairen kunnen worden vrijgesteld van uitzending naar militaire operaties in het buitenland als zij kinderen hebben die jonger zijn dan vijf jaar en mannelijke militairen niet.


De Commissie oordeelt dat direct onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt. Direct onderscheid is verboden, tenzij er een wettelijke uitzondering van toepassing is. Het beroep op de wettelijke uitzondering ten behoeve van bescherming van vrouwen slaagt niet, omdat onvoldoende duidelijk is waarom de vrijstelling geldt voor vijf jaar, terwijl de periode van bescherming volgens verweerder slechts geldt voor de periode van ongeveer één jaar. Daarnaast beroept de Staatssecretaris van Defensie zich op de wettelijke uitzondering die het mogelijk maakt om een voorkeursbeleid te voeren voor vrouwen. Door vrouwen met kinderen die jonger zijn dan vijf jaar niet uit te zenden, beoogt de staatssecretaris voor deze doelgroep de drempel te verlagen om toe te treden tot de Koninklijke Luchtmacht en om te blijven werken voor de organisatie. Het voeren van een voorkeursbeleid is slechts toegestaan indien is voldaan aan een aantal strikte eisen. In dit geval is het voorkeursbeleid in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving, omdat verweerder nooit heeft onderzocht of het beleid, dat al zo’n twintig jaar wordt gevoerd, effect sorteert.

Aanbeveling om de effectiviteit van het beleid te onderzoeken.


Oordeel 2008-52 van de Commissie Gelijke Behandeling
Dossiernummer: 2007-0376

op het verzoekschrift van 24 augustus 2007 van
. . . .
verschenen in persoon, wonende te . . . . , verzoeker
bijgestaan door mr. S.E. de Jong, jurist bij Stichting Univé Rechtshulp

tegen

Staatssecretaris van Defensie
te Den Haag, verweerder
vertegenwoordigd door . . . . . , hoofd Sectie Rechtspositie en
Aanstellingen bij de Koninklijke Luchtmacht

1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerder jegens hem onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden door hem niet vrij te stellen van uitzending naar militaire operaties in het buitenland.

1.2 Verzoeker heeft de Commissie desgevraagd aanvullende informatie toegestuurd.

1.3 Verweerder heeft schriftelijk verweer gevoerd.

1.4 Op de zitting van 19 februari 2008 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht. De vertegenwoordiger van verweerder was ter zitting vergezeld van . . . . , senior beleidsmedewerker Ministerie van Defensie en . . . . , medewerker Dienstencentrum Juridische Dienstverlening bij de Koninklijke Luchtmacht.

2 Feiten

2.1 Verzoeker is als militair in dienst bij de Koninklijke Luchtmacht. Het personeelsbeleid van de Koninklijke Luchtmacht valt onder de verantwoordelijkheid van verweerder.

2.2 In het handboek Personeel en Organisatie van de Koninklijke Luchtmacht is onder artikel 3.6.3. het volgende opgenomen:
“De KLu (CGB: Koninklijke Luchtmacht) hanteert het beleid dat vrouwelijke militairen met kind(eren) in de leeftijd tot en met 4 jaar, niet worden uitgezonden, tenzij operationele redenen aanwijzing noodzakelijk maken. Indien mannelijke militairen verantwoordelijk zijn voor de zorg van een éénoudergezin, is dezelfde regel ook voor hen van toepassing. De “éénouder”-restrictie ten aanzien van mannelijke militairen is gebaseerd op de vooral pragmatische overweging dat het in de samenleving nog steeds gebruikelijk is dat met name vrouwen de zorg voor kinderen op zich nemen en het bestand aan niet-uitzendbare militairen niet te groot mag worden.”

2.3 Op 14 maart 2007 heeft verzoeker verweerder verzocht om tijdelijk vrijgesteld te worden van uitzending naar het buitenland.

2.4 Bij brief van 7 juni 2007 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

2.5 Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend bij brief van 25 juni 2007.

2.6 Bij brief van 8 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.7 Verzoeker heeft tegen deze beslissing op 15 november 2007 beroep ingesteld, en op 14 december 2007 de gronden voor dat beroep ingediend.

2.8 In een motie, die door de Tweede Kamer is aanvaard, hebben de Kamerleden Van Velzen en Eijsink verweerder gevraagd om alle militairen met kinderen tot en met vier jaar desgewenst vrij te stellen van uitzending (Kamerstukken II 2006/07, 30 800 X, nr. 19).

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onderzoek laten doen naar de interesse onder mannelijke militairen om gebruik te maken van een regeling waarbij ouders van kinderen jonger dan vijf jaar worden vrijgesteld van uitzending. Uit dit rapport, ‘Onderzoek Vrijstelling bij Uitzending’ (augustus 2007), blijkt onder meer dat circa 58% van de mannelijke militairen met kinderen onder de vijf jaar ‘zeker of misschien’ gebruik zou willen maken van zo’n regeling. Ongeveer 26% gaf aan ‘zeker’ van de regeling gebruik te maken.

2.9 Bij alle krijgsmachtonderdelen tezamen waren op 31 december 2007 43.689 mannen en 4.303 vrouwen als militair bij verweerder in dienst.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Tussen partijen is in geschil of verweerder jegens verzoeker onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden, door zijn verzoek om vrijstelling van uitzending naar het buitenland af te wijzen.

Onderscheid op grond van geslacht

3.2 Op grond van artikel 1b, eerste lid, Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB), in samenhang met artikel 1 WGB, is het maken van direct onderscheid op grond van geslacht bij de arbeidsvoorwaarden verboden.

3.3 Verzoeker meent dat verweerder verboden onderscheid op grond van geslacht maakt door zijn verzoek om vrijstelling van uitzending niet te honoreren. Verzoeker heeft een kind onder de vijf jaar, maar hem wordt geen vrijstelling verleend, terwijl vrouwen met kinderen onder de vijf jaar zonder meer worden vrijgesteld. Hiermee wordt direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt.

3.4 Verweerder erkent dat hij direct onderscheid op grond van geslacht maakt, maar is van mening dat dit onderscheid niet verboden is, omdat twee in de wet genoemde uitzonderingen volgens hem van toepassing zijn.
Ten eerste worden vrouwen vrijgesteld van uitzending in verband met de bescherming van de vrouw. Ten tweede is volgens verweerder sprake van voorkeursbeleid.

3.5 De Commissie zal hierna achtereenvolgens beoordelen of het gemaakte onderscheid is toegestaan in verband met de bescherming van de vrouw, dan wel in verband met voorkeursbeleid.

Bescherming van de vrouw

3.6 Ingevolge artikel 1b, derde lid, WGB mag van het verbod op direct onderscheid op grond van geslacht worden afgeweken in de gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en moederschap.

3.7 Verzoeker is van mening dat het beleid van verweerder niet is gericht op de bescherming van het moederschap. Volgens verzoeker wordt met het beleid een voorziening geboden voor zorgtaken die niet onlosmakelijk zijn verbonden aan het moederschap.
Mannelijke militairen die verantwoordelijk zijn voor de zorg van een éénoudergezin, kunnen evenals vrouwen vrijgesteld worden van uitzending. Dat wijst er op dat het beleid gericht is op het waarborgen van de primaire zorg voor jonge kinderen en niet op de bescherming van het moederschap.

3.8 De gelijkebehandelingswetgeving maakt volgens verzoeker terecht een uitzondering op het verbod van discriminatie ter bescherming van de vrouw, daar waar verschillen tussen mannen en vrouwen evident zijn, zoals bij zwangerschap. Het enige wezenlijke aspect in de zorg voor kinderen in relatie tot het moederschap is het geven van borstvoeding. Feit is echter dat slechts 20% van de vrouwen na zes maanden nog borstvoeding geeft. Het is zeer aannemelijk dat het percentage vrouwen dat kinderen tot en met vier jaar borstvoeding geeft zeer klein is. In de Arbeidstijdenwet is vastgelegd dat vrouwen slechts een voedingsrecht hebben gedurende de eerste negen maanden na de geboorte van hun kind.
Verzoeker meent dat het oprekken van het begrip ‘moederschap’ tot algemene ouderschapstaken onjuist is, onnodig rolbevestigend en in strijd met het Internationaal Verdrag inzake bescherming tegen alle vormen van discriminatie tegen vrouwen.

3.9 Verweerder heeft verklaard dat slechts een deel van de periode van vijf jaar waarvoor vrijstelling mogelijk is, bedoeld is ter bescherming van het moederschap van vrouwelijke militairen. Het gaat vooral om de eerste periode waarin een pas bevallen vrouw nog fysiek en mogelijk ook mentaal moet herstellen.
Verweerder bestrijdt verzoekers stelling dat het moederschap gekoppeld moet worden aan de periode die gehanteerd wordt in de regelgeving met betrekking tot het voedingsrecht van vrouwen, te weten negen maanden. Verweerder is van mening dat vrijstelling voor een langere periode dan normaal gerechtvaardigd is waar het gaat om uitzending, omdat werkzaamheden tijdens een uitzending niet zijn te vergelijken met dagelijkse en reguliere werkzaamheden op het onderdeel in Nederland. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat bij vrijstelling in verband met de bescherming van vrouwen gedacht moet worden aan een periode van ongeveer één jaar. Verweerder benadrukt echter dat elke militair een grondige keuring ondergaat alvorens te worden uitgezonden. Dat betekent dat uitgesloten is dat militairen worden uitgezonden terwijl zij niet helemaal fit zijn, ongeacht de oorzaak daarvan.

3.10 De wettelijke uitzonderingen op het gebod tot gelijke behandeling dienen restrictief te worden uitgelegd, omdat zij indruisen tegen het doel van de wet. Voor de beoordeling van verweerders beroep op de bepaling inzake de bescherming van moederschap acht de Commissie van belang dat slechts een beperkt deel van de totale vrijstelling volgens verweerder hiermee verband houdt, terwijl niet inzichtelijk is om welk deel het precies gaat, en de hiervoor gereserveerde periode ook niet nader is onderbouwd. Dit klemt te meer nu alle militairen voorafgaand aan uitzending sowieso medisch worden gekeurd. Bovendien komen alleenstaande vaders voor hetzelfde verlof in aanmerking, zonder dat hiervoor een nadere onderbouwing is gegeven, anders dan dat een ruimere toekenning van vrijstelling organisatorisch te veel problemen met zich brengt. Hoewel vrijstelling van deze groep vaders ongetwijfeld van pas zal kunnen komen, is de bescherming van jong moederschap dus geen afdoende verklaring voor de vrijstelling.

3.11 Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep van verweerder op de uitzondering voor de bescherming van de vrouw, niet slaagt, nu de vrijstelling geldt voor een periode van vijf jaar, terwijl door verweerder is aangevoerd dat de bescherming van de vrouw slechts geldt voor de periode van ongeveer een jaar.
Verweerder heeft onvoldoende aangetoond dat de vrijstelling inderdaad noodzakelijk is met het oog op, en gericht is op de bescherming van pas bevallen vrouwen.

Voorkeursbeleid

3.12 Op grond van artikel 5 WGB kan van het verbod op het maken van direct onderscheid op grond van geslacht worden afgeweken indien met het gemaakte onderscheid wordt beoogd vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde nadelen op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.

3.13 Verweerder heeft verklaard dat hij al jaren en met tal van middelen probeert meer vrouwen aan te trekken voor zijn organisatie. Eén van de problemen die vrouwelijke medewerkers ondervinden is het combineren van hun werk met zorg voor kinderen. Bij uitzending naar het buitenland is zo’n combinatie zelfs geheel uitgesloten. Door het verlenen van vrijstellingen aan moeders van jonge kinderen probeert verweerder aan dit probleem tegemoet te komen. Verweerder hoopt hiermee de drempel voor vrouwen om toe te treden tot zijn organisatie, en om ook voor die organisatie te blijven werken, te verlagen.

3.14 De Commissie overweegt dat het verlenen van vrijstelling aan vrouwen met jonge kinderen kan worden aangemerkt als voorkeursbeleid. Niet alle vormen van voorkeursbeleid zijn echter toegestaan. Daarom zal de Commissie toetsen of het doelgroepenaanbod van verweerder voldoet aan de eisen die aan voorkeursbeleid worden gesteld.

3.15 Het is vaste jurisprudentie van de Commissie dat de gelijkebehandelingswetgeving wordt uitgelegd conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (onder meer: CGB 31 oktober 2002, oordeel 2002-162, en CGB 23 november 2005, oordeel 2005-225).

3.16 Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) heeft in een reeks van arresten, waaronder de zaak Kalanke (HvJ EG 17 oktober 1995 (Kalanke) , zaak C-450/93, NJ 1996/507) strikte voorwaarden geformuleerd waaraan voorkeursbeleid voor vrouwen bij de arbeid moet voldoen. Het Hof heeft bepaald dat de voorkeursbepaling in artikel 2, vierde lid, van Richtlijn nr. 76/207/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid (PbEG 1976, L39) nationale maatregelen toestaat op het gebied van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, die in het bijzonder vrouwen bevoordelen met het doel hen beter in staat te stellen op de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen. In hetzelfde arrest bepaalt het Hof echter dat absolute en onvoorwaardelijke voorrang voor vrouwen uitsluitend op grond van hun sekse bij werving en selectie ontoelaatbaar is.

3.17 De eisen waaraan voorkeursbeleid bij de toegang tot de arbeid ingevolge deze jurisprudentie moet voldoen zijn:
1. De achterstand van vrouwen dient te zijn aangetoond en te worden gerelateerd aan het beschikbare arbeidsaanbod.
2. De regeling waarborgt dat sollicitaties worden onderworpen aan een objectieve beoordeling van alle kandidaten waarbij rekening wordt gehouden met alle criteria betreffende de persoon van de kandidaten.
3. Het onderscheid dient in een redelijke verhouding te staan tot het doel. De voorkeursmaatregel moet kunnen worden gerechtvaardigd door de mate van achterstand.
4. Het voorkeurbeleid dient duidelijk kenbaar te zijn.

3.18 Eerder heeft de Commissie geoordeeld (CGB 25 juni 1997, oordeel 1997-77) dat de strenge toets van het HvJ EG specifiek is gericht op voorkeursbeleid bij de toegang tot de arbeid of tot promotie, waarbij de inspanningen zijn gericht op het bereiken van een gelijk resultaat (zie ook CGB 28 mei 1996, oordeel 1996-45). Voor voorkeursbeleid dat slechts beoogt de achtergestelde groep in een vergelijkbare uitgangspositie te brengen met anderen, dat met andere woorden slechts gericht is op het creëren van gelijke kansen, geldt een minder strenge toets. Het HvJ EG heeft in gelijke zin geoordeeld (HvJ EG 19 maart 2002, (Lommers), zaak C-476/99, Jur. 2002, p. I-2891). Het HvJ EG achtte het reserveren van kinderopvangfaciliteiten voor vrouwelijke medewerkers in beginsel niet in strijd met het EG-recht.

3.19 De eerste vraag die derhalve moet worden beantwoord is of onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden als hier aan de orde, moet worden beschouwd als resultaatgericht en dus vallend onder de strenge toets, of dat het behoort tot de lichter te toetsen vormen van voorkeursbeleid die er op zijn gericht om vrouwen in een vergelijkbare uitgangspositie te brengen.
De Commissie overweegt dat vrijstelling van vrouwelijke medewerkers met zorg voor kleine kinderen, niet tot gevolg heeft dat hun positie vergelijkbaar(der) wordt met die van hun mannelijke collega’s. Anders dan in de zaak Lommers, betekent de door verweerder aangeboden faciliteit niet dat vrouwen een buiten het werk gelegen lastenvermindering wordt geboden waardoor zij beter in staat zijn op voet van gelijkheid met mannen te participeren en met hen te concurreren. Het beleid van verweerder impliceert daarentegen dat vrouwen op gunstiger voorwaarden mogen participeren. Daarmee is het vrijstellingsbeleid vergelijkbaar met voorkeursbeleid bij toegang tot de arbeid. Dat betekent dat het door verweerder gevoerde voorkeursbeleid moet worden getoetst aan de in 3.17 genoemde strenge criteria.

Achterstandspositie

3.20 Verweerder stelt dat sprake is van een aanzienlijke ondervertegenwoordiging van vrouwen en heeft ter onderbouwing daarvan gegevens overgelegd over de participatie van vrouwen bij de krijgsmacht. Uit deze gegevens blijkt dat 9% van het militaire personeel vrouw is en 91% man. Verzoeker heeft bevestigd dat de achterstand van vrouwen bij de krijgsmacht evident is. Hij betwist daarom ook niet de noodzaak van maatregelen als zodanig, maar stelt alleen dat het voorbehouden van vrijstelling aan jonge moeders disproportioneel is.

3.21 De Commissie stelt vast dat vrouwen bij het militaire personeel ondervertegenwoordigd zijn en dat derhalve is voldaan aan het eerste criterium voor voorkeursbeleid.
Geschiktheid en proportionaliteit van het middel

3.22 Volgens verzoeker is het middel van vrijstelling alleen voor vrouwen ongeschikt om een evenwichtiger vertegenwoordiging van vrouwen in de krijgsmacht te realiseren. Het is niet goed voorstelbaar dat het beleid tot een grotere instroom van vrouwen zal leiden, al kan het volgens verzoeker wellicht enigszins helpen bij het beperken van de uitstroom van vrouwelijke militairen. Het betreft dan vrouwen die binnen het gezin kiezen voor de traditionele rolverdeling. Het beleid wordt echter door vrouwen die ook streven naar een evenwichtige taakverdeling binnen het gezin als hinderlijk ervaren. Deze vrouwen streven ook naar een gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke militairen, in die zin dat ook mannelijke militairen met jonge kinderen vrijgesteld zouden moeten kunnen worden van uitzending.
Volgens verzoeker zou het aanpakken van de oorzaak van het probleem een effectievere benadering zijn dan de benadering die verweerder kiest. Het beleid is volgens verzoeker contraproductief omdat het de stereotiepe rolverdeling tussen mannen en vrouwen juist bevestigt. Verzoeker meent dat het voor het doorbreken van het rollenpatroon nodig is dat mannen en vrouwen volledig gelijk worden behandeld.

3.23 Verder wijst verzoeker erop dat het beleid al meer dan tien jaar wordt gevoerd. Voorkeursbeleid zou echter een tijdelijk karakter moeten hebben. Bovendien is het aantal vrouwen in die periode niet spectaculair toegenomen. De rol van het uitzendbeleid voor vrouwen hierin is nooit onderzocht. Verzoeker trekt de effectiviteit en daarmee de geschiktheid van het middel sterk in twijfel.

3.24 Volgens verzoeker is door verweerder niet gekeken of er andere oplossingen zijn voor de problemen met betrekking tot de operationele inzetbaarheid. Uit het onderzoek dat verweerder heeft verricht is weliswaar gebleken dat ongeveer 4300 mannelijke militairen wellicht gebruik zouden willen maken van de vrijstelling, maar verweerder heeft niet onderzocht of er wellicht maatregelen zijn waardoor het onaantrekkelijker wordt om gebruik te maken van die vrijstelling. Daarbij kan volgens verzoeker gedacht worden aan een financiële tegemoetkoming bij uitzending of stillegging van de carrière tijdens de vrijstelling.

3.25 Ten aanzien van de proportionaliteit voert verzoeker aan dat het uitzenden van militairen een zwaar beslag legt op de militairen, maar zeker ook op het achterblijvende thuisfront. Voor achterblijvende partners met een fulltime en veeleisende baan, die de zorg voor de kinderen niet meer kunnen delen met hun partner, is de periode soms zwaarder dan voor de uitgezonden militair. Deze last staat in geen verhouding tot voorkeursbeleid waarbij sprake is van ‘een meer of mindere mate van vergoeding voor kinderopvang’ of ‘bij gelijke geschiktheid wordt voorkeur gegeven aan een vrouw’. De maatregel is volgens verzoeker te ingrijpend en daarom disproportioneel. Volgens verzoeker heeft verweerder ook een verantwoordelijkheid voor de partner die achterblijft in Nederland. Voor de partner van verzoeker zal het, onder meer vanwege de lange reistijd die zij kwijt is bij haar woon-werkverkeer, niet mogelijk zijn om haar werk en de zorg voor hun kind te combineren als verzoeker wordt uitgezonden. Verzoeker heeft (mede) hierom ontslag genomen.

3.26 Overigens benadrukt verzoeker dat hij niet wil dat de vrijstellingsmogelijkheid wordt afgeschaft. Verzoeker meent juist dat deze mogelijkheid voor alle jonge ouders, ongeacht hun geslacht, van belang kan zijn.
Daar komt bij dat er ook jonge moeders zijn die juist niet zijn gesteld op de automatische vrijstelling voor vrouwen en veel moeite moeten doen om eronderuit te komen.

3.27 Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat het voor een effectief beleid niet voldoende is om eventuele maatregelen alleen te richten op een verhoging van de instroom. Optimaliseren van het behoud van personeel is minstens zo belangrijk. De vrijstellingsmaatregel moet in dat licht worden bezien.

3.28 Verweerder erkent dat het voorkeursbeleid in beginsel tijdelijk van aard moet zijn en hij erkent ook dat de vrijstelling van uitzending al sinds ongeveer 15 à 20 jaar mogelijk is voor vrouwen met kinderen jonger dan vijf jaar. Echter, omdat de doelstellingen nog niet zijn bereikt, acht verweerder het beleid nog steeds van belang. Verweerder streeft er naar dat minimaal 12% van zijn militaire personeel uit vrouwen bestaat en daarom heeft het genderbeleid, waaronder ook deze vrijstelling valt, voor verweerder nog steeds zeer hoge prioriteit.

3.29 Dit genderbeleid ziet op de combinatie van arbeid en zorg, en is niet alleen gericht op vrouwen, maar ook op mannen. Er is een aantal voorzieningen getroffen om de gevolgen van uitzending voor militairen met jonge kinderen zoveel mogelijk te ondervangen, bijvoorbeeld het goed en tijdig informeren over de aanwijzing voor een uitzending, maatwerk bij functietoewijzing, het meewegen van de persoonlijke situatie en extra zorgvoorzieningen, zoals een financiële bijdrage.

3.30 Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat hij nooit heeft onderzocht of de vrijstelling van uitzending voor vrouwen met jonge kinderen een positief effect heeft op het bevorderen van de instroom of het beperken van de uitstroom van vrouwelijke militairen. Het is volgens verweerder dan ook niet te voorspellen wat het gevolg zou zijn als de vrijstelling voor vrouwelijke militairen zou worden afgeschaft.
Verweerder meent echter dat uit de overgelegde cijfers wel de conclusie getrokken kan worden dat de maatregel effect heeft. Uit deze cijfers blijkt namelijk dat het militaire personeel in de leeftijdsgroep tot 35 jaar wel voor 12% bestaat uit vrouwen. Daaruit concludeert verweerder dat de maatregel effect heeft op de doelgroep.

3.31 Ten aanzien van de proportionaliteit voert verweerder aan dat in de Tweede Kamer de nodige aandacht is geweest voor de vrijstelling van uitzending voor vrouwelijke militairen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder laten onderzoeken hoeveel mannelijke militairen met jonge kinderen een beroep op vrijstelling van uitzending zouden doen. Hieruit is gebleken dat 58% van de mannelijke militairen met kinderen jonger dan 5 jaar (4300 militairen) zei misschien of zeker gebruik te zullen maken van de vrijstelling en 26% (1980 militairen) gaf aan zeker gebruik te zullen maken van de regeling (zie 2.8).
Uit deze cijfers blijkt dat het niet mogelijk is om de vrijstellingsregeling onverkort ook voor mannelijke militairen te laten gelden. Een te groot aantal mannelijke militairen zou dan niet beschikbaar zijn voor uitzending, hetgeen zou leiden tot grote operationele problemen. In het afgelopen jaar zijn 6.000 militairen uitgezonden. Doorgaans bestaan teams die worden uitgezonden uit militairen met verschillende specialismen. Om een helikopter te laten vliegen zijn niet alleen piloten maar ook onderhoudsmonteurs nodig. Voor elk uit te zenden team moet worden gerekend met een factor drie: de groep die wordt uitgezonden, de groep die terugkomt van uitzending, en de groep die in Nederland de werkzaamheden uitvoert.

Daar komt bij dat bij verweerder structureel veel vacatures zijn. Bij de luchtmacht, het onderdeel waar verzoeker werkt, zijn er standaard 10% vacatures. Nog afgezien van de kosten, zijn de extra militairen die nodig zouden zijn als de vrijstelling ook voor mannen gold, niet te vinden.

3.32 Verweerder streeft echter wel naar een zo gelijk mogelijke behandeling van mannen en vrouwen. Het zal echter geruime tijd in beslag nemen om mogelijke alternatieven te onderzoeken. Eén alternatief is om mannelijke militairen één jaar vrij te stellen van uitzending. Ook dit alternatief levert echter operationele problemen op die zonder uitbreiding van de formatie niet kunnen worden opgevangen.
Ook een ander alternatief, waarbij een vrijstelling geldt voor één jaar, op te nemen naar keuze van de militair tot het kind 8 jaar is, dient te worden onderzocht.
Het onderzoeken van verschillende mogelijkheden vraagt tijd en zal niet op korte termijn gerealiseerd kunnen worden.

3.33 De Commissie overweegt dat de effectiviteit van het beleid niet kan worden vastgesteld, ondanks het feit dat verweerder dit middel al 15 á 20 jaar lang inzet. Verweerder heeft namelijk nooit onderzocht of en in welke mate de vrijstelling van uitzending voor vrouwelijke militairen invloed heeft op de instroom en/of uitstroom van vrouwelijke militairen, noch overigens op de doorstroom. De effectiviteit van het middel, en daarmee de geschiktheid van het middel, is derhalve nooit gemeten. Het beleid van verweerder voldoet om deze reden niet aan de vereisten die gelden voor een voorkeursbeleid in de zin van artikel 5 WGB. De Commissie beveelt verweerder dan ook aan een onderzoek in te stellen naar de effectiviteit van het vrijstellingsbeleid.

3.34 Nu er voor het gemaakte directe onderscheid op grond van geslacht geen wettelijke uitzondering van toepassing is, leidt dit tot het oordeel dat verweerder jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.

3.35 Voor het geval te zijner tijd uit onderzoek zal blijken dat het beleid inderdaad geschikt is om de ondervertegenwoordiging van vrouwelijke militairen tegen te gaan, gaat de Commissie in het hiernavolgende tevens in op de vraag of het beleid van verweerder voldoet aan de overige criteria voor het voorkeursbeleid.

3.36 Ten aanzien van de proportionaliteit van het middel geldt dat het doel, te weten het bevorderen van de arbeidsparticipatie van vrouwen in de krijgsmacht, evenzeer bereikt zou worden indien aan alle militairen met kleine kinderen, inclusief de mannelijke, vrijstelling zou worden verleend. Verweerder heeft naar het oordeel van de Commissie echter voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat, bij een gelijkblijvende bezetting, de operationele inzetbaarheid in dat geval in gevaar komt.
In de thans bekende omstandigheden, leidt dat tot het oordeel dat het beleid proportioneel is. Een dergelijk oordeel is echter altijd afhankelijk van tal van factoren die aan verandering onderhevig zijn, zoals de man/vrouw-verhouding onder het personeel, het aantal uitzendingen en het aantal vacatures.

Aangezien voorkeursbeleid in beginsel van tijdelijke aard is, rust op verweerder steeds de verplichting te onderzoeken of alternatief beleid mogelijk is, waarbij geen of minder onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt. Verweerder heeft in dat kader reeds aangegeven dat hij aan het studeren is op beleid waarbij mannen en vrouwen gelijk, of minder ongelijk, behandeld worden.

Kenbaarheid

3.37 Verzoeker heeft betoogd dat verweerder de vrijstellingsregel niet heeft bekend gemaakt, zodat het wervend effect op vrouwen beperkt is. Het beleid staat niet beschreven in de personeelsgidsen van verweerder. Het beleid is alleen opgenomen in het interne Handboek P&O. Verweerder heeft dit niet betwist. Ook is onbetwist gebleven dat geen aandacht aan het vrijstellingsbeleid is besteed tijdens voorlichtingsbijeenkomsten, bijvoorbeeld in verband met een toekomstige uitzending naar het buitenland. De Commissie overweegt dat hoewel het beleid al ongeveer twintig jaar wordt toegepast, dit slechts is beschreven in een Handboek P&O. Dit handboek is volgens verweerder bedoeld voor de afdeling P&O als naslagwerk. Het beleid is naar het oordeel van de Commissie onvoldoende kenbaar voor de militairen die het aangaat. Ook indien het beleid op zichzelf wel kenbaar zou zijn, is in ieder geval niet kenbaar dat het gaat om voorkeursbeleid dat ten doel heeft de ondervertegenwoordiging van vrouwen tegen te gaan. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan het vereiste dat, wanneer voorkeursbeleid wordt gevoerd, dit voor iedereen duidelijk kenbaar moet zijn (HvJ EG 17 oktober 1995, zaak C-450/93, Jur. 1995 (Kalanke), p. I-3051).

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de Staatssecretaris van Defensie jegens . . . . verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden.

5 Aanbeveling

De Commissie beveelt verweerder aan een onderzoek in te stellen naar het effect van de vrijstelling van uitzending van vrouwelijke militairen met jonge kinderen op de in- en uitstroom van vrouwelijke militairen. Tevens wordt aanbevolen het onderzoek naar mogelijk alternatief beleid, waarbij geen onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt, met voortvarendheid voort te zetten.

Aldus gegeven te Utrecht op 14 mei 2008 door mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter, mr. M. van den Brink en mr. P.H. Hugenholtz, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Pranger, secretaris.

mr. drs. P.H.A. van Geel

mr. A.H. Pranger
namens deze,
mr. A. Swarte
Secretaris


10. Vaderschapsverlof in Europa : Nederland als hekkesluiter en drager van de Rode Lantaarn

Samenvatting inventarisatie wettelijk geregeld betaald vaderschapsverlof in Europa
© Vaderkenniscentrum VKC, P.A.N. Tromp, conceptversie 1.2 onder voorbehoud, 2 juni 2008


Land
Betaald vaderschapsverlof
België
10 dagen vaderschapsverlof bij de geboorte. Gedurende de eerste 3 dagen betaalt de werkgever het volledige loon. De resterende 7 dagen ontvangt de vader van het ziekenfonds een vergoeding die 82% van het begrensde brutoloon bedraagt.
Denemarken
10 weken ouderschapsverlof te verdelen tussen de vader en de moeder
Estland
14 dagen
Finland
(a) 18 dagen geboorteverlof,
(b) onder condities nog eens 12 dagen geboorteverlof en
(c) en voorts kan de vader 158 dagen ouderschapsverlof met de moeder verdelen in aansluiting op het zwangerschapsverlof
Duitsland
(a) 2 maanden vaderschapsverlof tegen 67% van het salaris met een plafond van € 1,800, -
(b) en daarnaast 10 maanden ouderschapsverlof tegen dezelfde voorwaarden te verdelen met de moeder.
Frankrijk
2 weken
Hongarije
5 dagen
Ierland
Geen wettelijk geregeld vaderschapsverlof
Italië
13 weken (3 maanden) (80%)
Letland
10 kalenderdagen
Nederland
2 dagen vaderschapsverlof 100%
Noorwegen
45 weken (10.5 maand) (80%) of 35 weken (8 maanden) (100%) ouderschapsverlof te verdelen met de moeder.
De vader moet echter minimaal 6 weken betaald vaderschapsverlof zelf opnemen anders vervallen deze 6 weken binnen het totaal aan 45 weken verlof.
Portugal
15 dagen 100%
Roemenië
5 dagen
Slovenië
11 dagen
Spanje
15 dagen (gedurende de daaropvolgende jaren 30 dagen), onafhankelijk van de moeder. Tot 15 dagen van het verlof van de moeder kunnen door de vader opgenomen worden (als de vader alle 15 dagen neemt, dan heeft de moeder slechts 97 dagen om te bevallen i.p.v. van de volledige 4 maanden (112 dagen))
Turkije
3 dagen in de publieke sector
Verenigd Koninkrijk
2 weken tegen een vaste vaderschapsverlofvergoeding per week, het SPP (SPP in 2008 = £ 117.18 per week of 90% van je weekinkomen als dat lager is).
De werkgever verhaalt de hoofdsom van de vaderschapsverlofvergoeding weer op de overheid via verrekening bij de afdracht van de sociale uitkeringen.
IJsland
90 dagen te verdelen tussen beide ouders (naast de 90 dagen zwangerschapsverlof voor de moeder) tegen 80% van het salaris (gebaseerd op het gemiddeld verdiende salaris over de afgelopen 2 jaar met een maandelijks plafond (in 2007: Íkr 518,600; € 5,950,-) en een maandminimum (in 2007: Íkr 100,604; € 1,150,-)
Zweden
(a) 10 dagen geboorteverlof bij de geboorte van het kind +
(b) 2 papamaanden (60 dagen vaderschapsverlof).
(c) Vervolgens nog 420 dagen (14 maanden) ouderschapsverlof te verdelen met de moeder (tegen 80% vergoeding tot een plafond van 307,500 kronor ($ 50,000) in 2008 voor de eerste 390 dagen, daarna 90 dagen tegen een vaste vergoeding)
Zwitserland
Geen wettelijk geregeld vaderschapsverlof, maar in de praktijk van de decentrale bedrijfsarbeidsvoorwaarden net als Nederland ook enkele dagen vaderschapsverlof


11. Genomineerd in 2008 :: Hugo Borst :: TV-serie Over Vaders en Zonen

Nominatie Vaderdagtrofee 2008:

Hugo Borst, journalist

De sportcommentator, journalist, columnist en De Wereld Draait Door-tafelheer Hugo Borst (45) ging dit jaar voor de VPRO voor de tweede keer op zoek naar de gevoelige en soms pijnlijke plekken in de relatie tussen vaders en zonen. De vader of de zoon is een bekende persoonlijkheid. Borst begeeft zich niet op platgetreden paden, want het zijn geen gewone verstandhoudingen waar het hem om gaat. Er wringt iets, er is iets loos. Vader en zoon zijn elkaar ontgroeid of uit het oog verloren. Ze hebben ruzie of leven op gespannen voet. Hun relatie is geteisterd door ingrijpende familieomstandigheden. Hoe gaan zij daar mee om? Borst wroet, graaft en spit en haalt de onderste steen boven. Tijdens ontmoetingen op plekken die voor vader en zoon een speciale betekenis hebben, ontvouwt zich gaandeweg het beeld van de grillige band zoals die tussen vaders en zonen kan bestaan. Hugo Borst is er met zijn programma in geslaagd veel mensen inzicht te geven of nader kennis te laten maken met de belangrijke rol die vaders in het leven van hun kinderen, in dit geval hun zoon, kunnen spelen. Vooral zijn vermogen om de intimiteit en de ontroering in de relatie tussen vader en zoon op een integere en niet-melodramatische wijze zichtbaar te maken maakt het kijken naar zijn programma tot een unieke ervaring. We mogen blij zijn dat een publiek figuur als Hugo Borst van de VPRO de mogelijkheid heeft gekregen om zelf iets te doen aan de overheersing van programma’s met gebrek aan diepgang. Hij heeft die mogelijkheden met beide handen aangegrepen en daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan een verdieping van het beeld van vaders en hun grote en blijvende betekenis in het leven van kinderen.

Hugo Borst (Foto Ilya van Marle)


Deze tekst is voor de jury opgesteld door prof.dr. L.W.C. Tavecchio

woensdag 21 november 2007

5. SP wint vadertrofee 2007

De SP heeft de vadertrofee 2007 gewonnen. De prijs werd op dinsdagmiddag 20 november uitgereikt in het kader van de internationale dag van de rechten voor het kind en is een initiatief van het Vaderkenniscentrum en Fathers4Justice.

Krista van Velzen, Harry van Bommel en Sharon Gesthuizen (namens Jan de Wit) luisteren met de door juryvoorzitter Louis Tavecchio uitgereikte vadertrofee 2007 in de hand naar de toelichting van Joep Zander op zijn schilderij

Juryvoorzitter en hoogleraar Pedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam Louis Tavecchio reikte de prijs, een schilderij van Joep Zander, uit aan de Kamerleden Jan de Wit, Krista van Velzen en Harry van Bommel in verband met hun activiteiten ter bevordering van gelijkwaardig ouderschap, ook na echtscheiding, een thema dat door de SP ook in haar verkiezingsprogramma werd opgenomen. In het bijzonder roemde de jury de inzet van Jan de Wit die bij de behandeling van het wetsvoorstel voortgezet ouderschap na scheiding een wijzigingsvoorstel indiende dat zou leiden tot een betere ouderschapsverdeling.

De prijs, die dit jaar voor het eerst werd uitgereikt, wordt toegekend aan degene(n) die zich het afgelopen jaar het meest verdienstelijk maakte(n) in het bevorderen van meer armslag en ruimte voor het vaderschap bij de opvoeding van kinderen en het terugbrengen van vaderskant van families in het leven van kinderen.

Naast de SP waren dit jaar ook de VVD en GroenLinks genomineerd voor de vadertrofee. De VVD in verband met haar initiatiefwetsvoorstel dat de positie van vaders na een scheiding moest versterken, GroenLinks vanwege de door haar gepubliceerde vaderverklaring.

Zie voor de uitgebreide juryrapporten van de drie genomineerde poliieke partijen:
  1. Jury nominatie SP
  2. Jury nominatie VVD
  3. Jury nominatie GroenLinks
De keuze was moeilijk, verklaarde juryvoorzitter Louis Tavecchio tijdens de uitreiking. Wat voor de jury daarbij de doorslag gaf voor de keuze van de SP als de winnaar in 2007 was dat:
  • de SP het gelijkwaardig ouderschap na scheiding in haar verkiezingsprogramma opnam en met het aangenomen SP-amendement 26 op het gelijkwaardig ouderschap van Jan de Wit bij het Wetsvoorstel op de Bevordering van het Voortgezet Ouderschap na Scheiding (Wetsvoorstel 30145 geheten) daadwerkelijk een belangrijk resultaat wist te behalen wat betreft het beter betrokken houden van vaders bij de zorg en opvoeding van hun kinderen na een scheiding.
  • dat de SP als enige van de drie genomineerde partijen zowel politieke initiatieven nam en resultaten behaalde bij het scheppen van ruimte voor betrokken vaderschap voor vaders in het algemeen (aangenomen motie tot gelijkschakeling van het vaderschapsverlof aan het moederschapsverlof in het leger), als voor de groep gescheiden vaders in het bijzonder (aangenomen amendement op het gelijkwaardig ouderschap na scheiding).
  • dat het vaderbeleid van de SP vorm en inhoud krijgt op meerdere beleidsterreinen tegelijk en vanuit meerdere politieke portefeuillehouders.
  • en "last" maar zeker niet "least" dat de SP-kamerleden zich waar mogelijk ook in individuele schrijnende gevallen openstellen voor het stellen van kamervragen namens verontruste ouders en/of grootouders (bijvoorbeeld in het geval van onderhoudsverhaal voor hun kleinkind vanuit Duitsland op de Nederlandse grootouders van vaderskant), dan wel bemiddelden in het buitenland waar het rechteloos gemaakte vaders betrof zoals de Roemeense vader Vasilica Grosu en zijn zoontje Andrei.
De toekenning van de Vadertrofee in 2007 aan de SP is meer dan verdiend, was daarmee het eindoordeel van de jury, die naast juryvoorzitter professor Tavecchio, bestond uit de pedagoog Peter Tromp van het Vaderkenniscentrum, de publicist en kunstenaar Joep Zander en de internationale coördinator van Fathers-4-Justice Andrew Work.

SP: Gefeliciteerd!

Enkele foto's van de uitreiking van de vadertrofee 2007 aan de SP-fractie in de Tweede Kamer op dinsdagmiddag 20 november.

Krista van Velzen en Harry van Bommel (SP)

Peter Tromp van het Vaderkenniscentrum vertelt tijdens de uitreiking waarom het initiatief tot een vadertrofee werd genomen. Vanaf 2008 zal de vadertrofee jaarlijks op vaderdag worden uitgereikt.

V.l.n.r. Harry van Bommel, Sharon Gesthuizen en Jan de Wit van de SP-Tweede Kamerfractie met fractiemedewerker Alexander van Steenderen

Juryvoorzitter Louis Tavecchio met de juryrapporten en de einduitslag: Winnaar van de vadertrofee 2007 is de SP, omdat ....!

Gewonnen ! Krista van Velzen, Harry van Bommel en Sharon Gesthuizen van de SP-fractie pakken de Vaderdagtrofee 2007 - een schilderij van Joep Zander - uit, terwijl de initiatiefnemers Peter Tromp van het Vaderkenniscentrum en Joep Zander toekijken



Joep zander geeft nog een toelichting ....

Peter Tromp feliciteert de winnaars ....

Hoogleraar Louis Tavecchio nog even in gesprek met SP-Tweede Kamerlid Sharon Gesthuizen: Allebei dagelijks bezig met de kinderopvang

Paul Bastianen en Abdi Jama, beiden Stichting Kind en Omgangsrecht

Joep Zander met Bas van 't Hof en Dennis Grippeling (Fathers4Justice)


- Einde -

4. Jury nominatie van de SP voor de Vadertrofee 2007






In relatief korte tijd is binnen de SP partijbreed, zowel vanuit de landelijke politiek door de gezamenlijke inspanningen van de Tweede Kamerleden Jan de Wit, woordvoerder justitie, Krista van Velzen, woordvoerder defensie en Harry van Bommel, woordvoerder buitenlandse zaken en Europa, als vanuit de lokale afdelingen van de SP, toenemende politieke aandacht ontstaan voor het belang van vaders en het vaderschap voor opgroeiende kinderen. Maar ook voor het vaderschap als levensdoel voor vaders zelf, naast alleen werk: gewoon omdat ook vaders - net als moeders - graag en goed voor hun kinderen (kunnen) zorgen en ervan genieten om direct en dagelijks betrokken te zijn bij de opvoeding en het opgroeien van hun kinderen en dat ook voor geen goud willen missen.

Gun mij toch eens mijn vaderrol?!

Een startpunt voor deze ontwikkeling kan gelegd worden bij het persoonlijke opinieartikel “Gun mij toch eens mijn vaderrol” van de hand van Harry van Bommel over zijn vaderschap, dat op maandag 9 augustus in NRC Handelsblad verscheen.

In zijn artikel vroeg Harry van Bommel als vader – net als dat wordt gegund aan moeders - de ruimte om er bij te kunnen zijn voor zijn zoontje, voor hem te kunnen zorgen en meer van zijn opgroeien te kunnen genieten, en richtte hij een oproep aan de samenleving, die de betrokkenheid van mannen bij de zorg voor kinderen nog steeds als negatief of verdacht afschildert, maar vooral ook aan moeders en vrouwen, om ook aan vaders toch eens een andere vaderrol te gunnen dan alleen de traditionele vaderrol van het gezin onderhouden, beschermen en raad geven.

Hij wees daarbij op de feminisering in zorg en onderwijs - een thema waaraan afgelopen zaterdag 17 november nog een speciale uitzending gewijd werd door NCRV’s Rondom Tien - en citeerde daarbij professor Louis Tavecchio, bijzonder hoogleraar Pedagogiek van de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van de jury van de uit te reiken Vadertrofee, “die het feit hekelde dat slechts 1 procent van de werknemers in de kinderopvang man is. Ook in het primair onderwijs is sprake van feminisering.“

Hij eindigde zijn pleidooi voor meer ruimte voor het vaderschap met een oproep voor ruimere rechten op betaald vaderschapsverlof, voor goedkopere kinderopvang en voor de mogelijkheid om ook op het herentoilet je kind van een schone luier te voorzien, voor een algemene cultuurverandering rondom het beeld van vaders kortom. Daarbij bekende hij als vader ruiterlijk zijn vrouw te benijden, die op kosten van de gemeenschap een aantal maanden volledige invulling kan geven aan haar moederfunctie. Want met wat kolven en een flesje zouden zijn zoon en hij het ook prima redden.

In zijn opinieartikel uit 2004 legde Harry van Bommel daarmee in een klap veel van de ingrediënten op tafel die nu nog centraal staan in de discussies over het vaderschap en bracht onder woorden wat veel vaders voelen, dat ze van vrouwen en de samenleving meer ruimte zouden willen hebben om van hun kinderen te kunnen genieten, voor ze te kunnen zorgen en ze op te kunnen voeden.

In een aantal vervolgartikelen, ondermeer voor de populaire website IkVader van Henk Hanssen voor vaders, werkte Harry van Bommel dit vervolgens verder uit en in het daaropvolgende jaar verruimde hij in een gezamenlijk artikel met Joep Zander (“Er is een radicale ommekeer nodig”) in de Staatscourant van 26 oktober 2005 zijn pleidooi voor meer ruimte voor vaders en het vaderschap ook naar de steeds grotere groep - door moeders, het familierecht en de Raden voor de Kinderbescherming naar hun kinderen buiten spel gezette - gescheiden vaders in een pleidooi ter ondersteuning van het - door het VVD-kamerlid Ruud Luchtenveld aanhangig gemaakte - wetsinitiatief voor gelijkwaardig en gedeeld ouderschap tussen beide ouders na een scheiding.

De door Harry van Bommel aanhangig gemaakte discussies over meer ruimte voor het vaderschap en een ruimere vaderrol dan alleen die van kostwinner en beschermer, vonden ook binnen de Socialistische Partij verdere weerklank. Dit leidde, in de aanloop naar de landelijke verkiezingen van 2006, tot initiatieven vanuit de lokale afdelingen van de SP tot amendering van het landelijke verkiezingsprogramma.

Amendement op het gelijkwaardig ouderschap na scheiding bij het SP verkiezingsprogramma van de SP-Afdeling Deventer

Susanne Vunderink en Joep Zander dienden vanuit de SP-Afdeling Deventer daarbij een amendement in op het gelijkwaardig ouderschap na scheiding dat op het landelijke SP-congres in oktober 2006 ook met steun van andere afdelingen partijbreed werd aan- en overgenomen en leidde tot de opname van het gelijkwaardig ouderschap na scheiding als partijstandpunt in het verkiezingsprogramma 2006 van de SP voor de landelijke verkiezingen. Hiermee werd het creëren van meer ruimte voor de zorg van vaders voor hun kinderen na de scheiding een politieke beleidsprioriteit van de SP.

Amendement 26 bij het Wetsvoorstel Bevordering Voortgezet Ouderschap na scheiding


Dit partijstandpunt werd door Tweede Kamerlid Jan de Wit, woordvoerder justitie, in 2007 verwerkt in een amendement en ingebracht en door hem met verve verdedigd in de Tweede Kamerdebatten over het Wetsvoorstel Bevordering Voortgezet Ouderschap na scheiding (30145).

En op 12 juni 2007 werd tijdens de eindstemmingen in de Tweede Kamer over dit wetsvoorstel 30145 naast het wetsvoorstel zelf ook het SP-Amendement 26 op het gelijkwaardig ouderschap bij dit wetsvoorstel kamerbreed (met uitzondering van de tegenstemmen van PvdA en de ChristenUnie) door de Tweede Kamer aangenomen.

Door deze inspanningen van Jan de Wit werd in het wetsvoorstel 30145 - dat met de opname van het zgn. klemcriterium en de hernieuwde codificatie van de toewijzing van de hoofdverblijfplaats en zorg aan slechts één van de beide ouders op zich zowel een verslechtering voor vaders inhield ten opzichte van de daarvoor bestaande wetsregeling als ten opzichte van het in de Eerste Kamer weggestemde Wetsinitiatief Luchtenveld (zie nominatie VVD) - in elk geval het gelijkwaardig ouderschap als uitgangspunt voor de ouderschapsverdeling na de scheiding door de SP behouden. Een belangrijke verdienste.

De tekst van dit aangenomen SP-Amendement 26 luidde:
Aan Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek artikel 247 worden drie leden toegevoegd, luidende:

3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

4. Een kind over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, behoudt na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, na het beëindigen van het geregistreerd partnerschap, of na het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.

5. Ouders kunnen ter uitvoering van het vierde lid in een overeenkomst of ouderschapsplan rekening houden met praktische belemmeringen die ontstaan in verband met de ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, het beëindigen van het geregistreerd partnerschap, of het beëindigen van de samenleving indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst, echter uitsluitend voor zover en zolang de desbetreffende belemmeringen bestaan.

Toelichting
Het is in het belang van het kind dat het contact heeft met beide ouders en ook verzorgd wordt door beide ouders. In het wetsvoorstel worden twee normen ontwikkeld; de ene ouder is verplicht de ontwikkeling van de band van het kind met de andere ouder te bevorderen, de ouder zonder gezag heeft ook de plicht omgang te hebben met zijn kind. Het wetsvoorstel is hierin niet duidelijk genoeg.Gelijke rechten en plichten voor beide ouders is de basis om beide ouders onvoorwaardelijke opvoedingsverantwoordelijkheid te laten dragen. Beide ouders hebben het recht en de plicht om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen. Ouderschap is uitsluitend gebaseerd op de relatie kind-ouder, niet op de relatie tussen ouders onderling. De continuering van de opvoedingsrelatie tussen kind en beide ouders is in het belang van het kind. Gelijkwaardig ouderschap en een opvoedingsplicht dienen ook na een echtscheiding, een geregistreerd partnerschap of een periode van samenleven centraal te blijven staan. Om expliciet duidelijk te maken dat beide ouders gelijke rechten en plichten hebben wordt gelijkwaardig ouderschap de norm. In de wet wordt opgenomen dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. Deze wettelijke basis voor gelijkwaardig ouderschap geeft ouders een uitgangspositie om gezamenlijk tot een bij hun situatie passende oplossing te komen.

De Wit
Gelijkschakeling van het vaderschapsverlof aan moederschapsverlof in het leger

In oktober 2006 dient Krista van Velzen, woordvoerder defensie van de SP, een motie in om in het leger het vaderschapsverlof van vaders van jonge kinderen gelijk te trekken aan het moederschapsverlof van moeders van jonge kinderen. De motie haalt een meerderheid in de kamer maar tot op heden weigert staatssecretaris van defensie Cees van der Knaap hem uit te voeren vanwege de personele kosten.

SP stelt zich in bijzondere gevallen ook open voor individuele vaders en grootouders

Naast een beleidsmatige insteek op verruiming van de betrokkenheid van vaders en de familie van vaderskant bij de zorg voor en de opvoeding van hun kinderen, bleek de SP ook bereidt om zich waar mogelijk ook in individuele schrijnende gevallen in te spannen. Twee voorbeelden daarvan zijn:
  • het stellen van kamervragen namens verontruste ouders en/of grootouders zoals plaatsvond door Jan de Wit en Harry van Bommel in het geval van onderhoudsverhaal vanuit Duitsland voor hun kleinkind op de Nederlandse grootouders van vaderskant,
  • het in het buitenland bemiddelen en helpen ten gunste van rechteloos gemaakte vaders zoals de Roemeense vader Vasilica Grosu en zijn zoon Andrei door Harry van Bommel.

Daarmee is de SP genomineerd voor de Vadertrofee 2007. !!


(Tekst Peter Tromp)

3. Jury nominatie van de VVD voor de Vadertrofee 2007







Vaders en het vaderschap gaan de VVD ter harte. De partij heeft binnen de politiek en in de Tweede Kamer als een van de weinige partijen bijvoorbeeld al een lange traditie van aandacht en zorg opgebouwd voor de (zorgelijke) rechtspositie van gescheiden vaders bij het behouden van de relatie met hun kinderen na een (echt)scheiding.

Mr. Otto Vos (1994-2002)
Die traditie nam zijn aanvang op 21 maart 1998, toen Mr. Otto Vos, VVD-woordvoerder voor Justitie, bereid was om op de zaterdag vanuit zijn woonplaats toch naar Den Haag af te reizen om in het gebouw van de Tweede Kamer een delegatie demonstrerende gescheiden vaders te woord te staan en van hen een petitie in ontvangst te nemen, waarin stelling genomen werd tegen de vaderloosheid van kinderen na scheiding en waarin voorstellen voor hervormingen van het familierecht waren uitgewerkt om daar iets aan te doen.

Het betrof hier de in 1998 door Stichting Kind en Omgangsrecht op de dag van de lente georganiseerde “Stille Lentemars” van het Malieveld naar het Binnenhof. De dag van de lente was daarbij gekozen om stelling te nemen tegen de toenemende vaderloosheid van kinderen na (echt)scheiding en aan te dringen op een “nieuwe politieke lente” in het familierecht voor het “vaderschap na scheiding”. [1]

Het belang van het behoud van de relatie tussen kinderen en hun vaders ook na de scheiding, ging Mr. Otto Vos daarbij zo ter harte, dat hij na overhandiging van de petitie besloot symbolisch met de demonstrerende vaders mee terug te lopen naar het Malieveld om zich tijdens de terugmars door getroffen vaders verder te laten informeren over hun ervaringen met het falende omgangsrecht. (zie foto)

In zijn daaropvolgende lezing in december van 1998 voor Stichting Kind en Omgangsrecht in Tilburg , stelde Otto Vos vast dat het doorbreken van vader-kindrelaties in het falende omgangsrecht niet alleen ernstige traumatische persoonlijke, maar ook maatschappelijke, gevolgen had en legde hij sterk de nadruk op een verbeterde handhaving van omgangsregelingen met het strafrecht als eerste stap. In die periode wees Otto Vos omgangsbegeleiding en bemiddeling nog af en was hij van mening dat rechters wat betreft de handhaving van gezag en omgang meer hun eigen verantwoordelijkheid dienden te nemen.

Wat betreft de in de petitie voorgestelde civielrechtelijke “paradoxale gezagswijziging” als handhavingsmiddel wees hij op de noodzaak van een cultuuromslag bij de rechterlijke macht om het traditionele beeld van de vrouw als verzorger van het kind te doorbreken ten gunste van een beeld dat “ook vaders kunnen zorgen voor kinderen". Hij zag daar pas kansen voor als eerst de handhaving van het omgangsrecht onder het strafrecht zou zijn gebracht.

En een jaar later - in zijn lezing op de landelijke dag van de Stichting Dwaze Vaders in november l999 - zag Otto Vos voor de toekomst een mogelijkheid tot wetswijziging in die zin dat als het contact tussen kind en niet-zorgouder verbroken wordt, op de zorgouder de bewijsplicht komt te rusten dat zij alles gedaan heeft om het contact te handhaven. Op wat langere termijn waren de vooruitzichten dat omgangsrecht ook wordt nagekomen, volgens Otto Vos ronduit goed te noemen. Het toen geldende personen- en familierecht droeg immers nog het stempel van de vroegere taakscheiding kostwinning/huishouding maar die was snel bezig plaats te maken voor een model van gelijke taakdeling. Over een jaar of tien zou de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders na scheiding veel vanzelfsprekender zijn geworden.

Nog maar twee jaar te gaan tot 2009, dus laten we wat dat betreft hopen op een profetische blik van Otto Vos, al is er tot nu toe in de praktijk van de bescherming van de banden tussen kinderen en hun vaders na een (echt)scheiding helaas nog weinig verandert is en lijkt de tijd te hebben stil gestaan.

Otto Vos liet het niet bij symbolische daden en lezingen alleen. In daaropvolgende Kamerdebatten over het omgangsrecht en het betrokken houden van vaders in het leven van hun kinderen na (echt)scheiding pleitte hij onvermoeid bij elke gelegenheid voor een verbeterde strafrechtelijke handhaving van het omgangsrecht, door niet-nakoming van beschikte omgangsregelingen naar analogie van het ouderlijk gezagsrecht ook onder het strafrecht te brengen. Onvermoeid, maar gezien de ongunstige politieke omstandigheden, helaas zonder erg veel resultaat.

Wel entameerde Otto Vos daarbij diverse onderzoeken van de rijksoverheid, ondermeer naar de “Praktijk van het omgangsrecht” (B&A Beleidsgroep, 1999) en de rechtsvergelijkende studie naar diverse handhavingsinstrumenten met betrekking tot het omgangsrecht in de ons omringende landen (Chin-A-Fat; Effectuering van omgang in rechtsvergelijkend perspectief. Vrije Universiteit, Amsterdam, 1999.) In die laatste studie werden genoemd: omgangsbegeleiding, al dan niet in een omgangshuis, omgangsbemiddeling en tenslotte strafrechtelijke handhaving van het omgangsrecht.

Ondanks zijn aanvankelijke eigen kritiek en de scherpe kritiek uit de vaderbeweging op zowel het vrijblijvende als het betuttelende karakter van bemiddeling en omgangshuizen, nam Otto Vos door de politieke verhoudingen daartoe gedwongen toch zijn toevlucht hoe langer hoe meer tot omgangsbegeleiding en echtscheidingsbemiddeling als mogelijke alternatieve oplossingen en staakte hij zijn pogingen om via het recht en de rechter tot een oplossing te komen.

Toen Otto Vos op donderdag 23 mei 2002 na 8 jaar Tweede Kamerwerk voor de VVD afzwaaide, had hij over die periode weliswaar het record in handen voor de meeste in het Staatsblad gepubliceerde, en dus behaalde, parlementaire successen, maar daar zaten helaas ondanks zijn voortdurende inspanningen in de Kamerdebatten geen echte resultaten tussen op het terrein van een verbeterde handhaving van het omgangsrecht na scheiding.

Mr. Ruud Luchtenveld (2002-2006)
Mr. Ruud Luchtenveld, zijn opvolger in de Tweede Kamer, pakte in 2004 de draad van de VVD-traditie tegen het gedoogbeleid in het omgangsrecht echter met hernieuwde energie op, nadat ook hij geconfronteerd werd met de nood van gescheiden vaders en hun kinderen middels de bezettingsacties van Raden voor de Kinderbescherming door de Actiegroep Stop Omgangsonrecht in 2003 en direct daarop volgend de spectaculaire en alternatieve protestacties van de Nederlandse tak van Fathers4Justice [2] en de actiegroep Familie4Justice.

Naar aanleiding van deze wassende stroom vaderprotesten, verscheen in het voorjaar van 2004 onder de titel “Integriteit van het ouderschap” ook een gezamenlijk manifest van een groep van ca 50 onafhankelijke wetenschappers (hoogleraren, juristen, economen, psychiaters, etc) gericht aan minister Donner van Justitie, waarin aangedrongen werd op hervorming van het falende scheidingsrecht.

Toen het Ministerie van Justitie ook na een gesprek met een delegatie van deze groep wetenschappers over het manifest op 13 februari 2004 en ondanks herhaald aandringen vanuit de kamer geen initiatief nam tot hervorming van het scheidingsrecht om aan de ontstane maatschappelijke onrust tegemoet te komen, besloot Ruud Luchtenveld op 7 juli 2004 om zelf vanuit de Tweede Kamer een initiatiefwetsvoorstel “Beëindiging huwelijk zonder rechterlijke tussenkomst en vormgeving voortgezet ouderschap (29676)” in te dienen inzake de “effectieve handhaving van de afspraken en rechterlijke beslissingen die in verband met de ontbinding van het huwelijk of nadien tot stand zijn gekomen over de wijze waarop door beide ouders vorm wordt gegeven aan het voortgezet ouderschap”, bij vadergroeperingen ook wel de initiatiefwet op “Het gelijkwaardig ouderschap na (echt)scheiding” genoemd.

Op zaterdag 22 januari 2005 publiceerde Ruud Luchtenveld in het regionale blad BN/De Stem een memorabel en nog steeds uiterst actueel en lezenswaard opinieartikel onder de titel “Stop gedoogbeleid omgangsrecht” waarin hij zijn initiatiefwetsvoorstel ook bij het bredere publiek bekend maakte.

Ruud Luchtenveld schrijft daarin (citaat):
“Sinds ik vanaf medio 2002 het familierecht namens de VVD-fractie in de Tweede Kamer in mijn portefeuille heb, hebben mij vele berichten bereikt over de grote misstanden ten aanzien van het huidige omgangsrecht. Hoe vaak heb ik niet gelezen dat de vader na een echtscheiding zijn kinderen niet of nauwelijks meer ziet. Dit ondanks het bestaan van een door de rechter opgelegde omgangsregeling. Daar waar de overheid op alle terreinen steeds fermer roept dat er een einde aan het gedoogbeleid komt, vergeet zij ogenschijnlijk stelselmatig de regelgeving ten aanzien van omgangsregelingen. Hoe vaak komt het niet voor dat een moeder, bij wie het kind de hoofdverblijfplaats heeft, de omgangsregeling frustreert, en er geen hond is die daar wat aan doet. Daar moet nu eens echt verandering in komen. Door de Tweede Kamer aangenomen moties moeten nu in wetgeving worden vertaald! Er is de laatste jaren al genoeg over gepraat! Wat mij betreft worden die zogenaamde omgangsregelingen verbannen. Naar mijn oordeel diskwalificeert die term de positie van de ouder die tot het omgangsrecht veroordeeld wordt. Laten we na een scheiding voortaan uitgaan van het voortgezette ouderschap. Want ouders zijn ook na de scheiding beiden verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Het ouderschap stopt nu eenmaal niet na een scheiding. ……Uitgangspunt moet ….. zijn de gelijkwaardigheid van beide ouders. Slechts als er sprake is van praktische belemmeringen kunnen de ouders afspreken dat de zorg- en opvoedingstaken ongelijk worden verdeeld. Een voorbeeld hiervan is dat één ouder in Groningen woont en de andere ouder in Delft. In verband met school kan het kind dan niet de ene helft van de week bij vader zijn en de andere helft van de week bij moeder. Hier dienen de ouders dan een oplossing voor te zoeken die alle partijen bevredigt.”
Ruud Luchtenveld zou in de daarop volgende twee jaar in vele kamerdebatten en compromissen meer dan vijfhonderd uur aan zijn initiatiefwet besteden omdat hij - zoals hij bij zijn afscheid van de landelijke politiek tijdens de finale verdediging van zijn initiatiefwet in de Eerste Kamer in juni 2006 stelde –
“al jaren als advocaat, wethouder, Kamerlid en betrokken burger oog heeft gekregen voor een groot maatschappelijk onrecht. Niet zozeer voor vaders en ouders, maar vooral voor kinderen bij de ontbinding van huwelijken en vergelijkbare relaties. Nieuwe wetgeving is in zijn optiek urgent omdat de in 1998 ingevoerde hoofdregel van gezamenlijk gezag na echtscheiding onvoldoende heeft gezorgd voor harmonieuze relaties van kinderen met hun beide ouders na echtscheiding. Van de kinderen uit huwelijkse scheiding heeft 25% geen contact meer met een van beide ouders en nog eens 25% heeft slecht contact. Daar komen per jaar nog eens achtduizend kinderen bij die na de scheiding geen contact meer hebben met één van hun ouders. De problematiek zwelt dus nog steeds verder aan. Deze schrijnende cijfers vormden voor hem de motivatie om heel veel tijd en energie te steken in wetgeving om iets te doen om de problematiek op zijn minst te verminderen, want hem helemaal oplossen zullen wij wel niet kunnen. In de wetenschappelijke literatuur, ook buiten de juridische discipline, is al heel veel geschreven over kinderen die een ouder verliezen door echtscheiding. Of het nu gaat om een ouder die geen contacten meer wenst of om situaties waarin een ouder juist dolgraag contact wil houden, maar hem dat onmogelijk wordt gemaakt door een rechterlijke uitspraak of door de feitelijke loop van de gebeurtenissen, in beide gevallen is het kind praktisch altijd de dupe.”
Het heeft helaas niet mogen baten, nadat zijn initiatiefwet in december 2005 door de Tweede Kamer was aangenomen strandde deze alsnog in de Eerste Kamer in juni 2006.

Als Locoburgemeester en VVD-Wethouder Wonen en Ruimtelijke Ordening heft Ruud Luchtenveld in april 2007 in de gemeente Amersfoort als eerste Nederlandse gemeente de bestaande achterstelling op van gescheiden vaders met kinderen die tot dan aangemerkt werden als alleenstaanden in het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid. Deze achterstelling vormden voor veel gescheiden vaders een drempel om hun kinderen thuis te kunnen ontvangen en onderbrengen.

Fred Teeven (2006 - ….)
In 2006 neemt Fred Teeven het stokje van Ruud Luchtenveld als VVD-woordvoerder justitie over. Tijdens de stemming over het wetsvoorstel op de Bevordering van het Voortgezet Ouderschap na scheiding (30.145) op 12 juni 2007 zet hij daarbij de lange VVD-traditie van aandacht en zorg voor de (zorgelijke) rechtspositie van (gescheiden) vaders in hun relatie met hun kinderen na een (echt)scheiding – die teruggaat tot Otto Vos - voort door tijdens de stemming het Amendement op Gelijkwaardig Ouderschap als uitgangspunt na (echt)scheiding te steunen. Hoe Fred Teeven daarbij verder inhoud gaat geven aan vaderbeleid binnen de VVD en het terugbrengen van vaders in het leven van kinderen moet zich verder nog uitkristalliseren. Hiermee is de VVD genomineerd voor de Vadertrofee m/v 2007 !!

(tekst Peter Tromp)

Voetnoten
[1] In deze petitie uit 1998 werd - naast een pleidooi voor herstel van de grondwettelijke openbaarheid in het familierecht - vooral aangedrongen op een verbeterde handhaafbaarheid van beschikte omgangsregelingen en stelling genomen tegen het gedoogbeleid van overheid en politiek waar het de massale omgangsfrustratie betrof. Naast het voorstel om omgangsfrustratie onder het strafrecht te brengen, was in de petitie ook het civielrechtelijk handhavingsvoorstel uitgewerkt van wat in de petitie nog de “paradoxale gezagswijziging” werd genoemd, het toewijzen van het gezag aan die ouder die het best in staat en bereid bleek om de andere ouder ook een relatie met de kinderen toe te staan. Een handhavingsvoorstel dat pas onlangs als ultimum remedium in de familierechtspraak ook navolging kreeg als de “contraire gezagswijziging” en nu ook onderdeel uitmaakt van het wetsvoorstel op de “Bevordering van het voortgezet ouderschap na scheiding (30145)” dat op 12 juni 2007 in de Tweede Kamer werd aangenomen en nu bij de Eerste Kamer ligt.

[2] Op 17 januari 2005 bezette Batman van de Nederlandse tak van de internationale vaderorganisatie Fathers4Justice urenlang het dak van de Rechtbank Utrecht, een gebeurtenis die wereldwijde media-aandacht trok voor de slechte situatie van vaders en hun kinderen na een (echt)scheiding in Nederland.